15. sep, 2013

Poëtisch idealisme

Zondagochtend. De wijzers van je horloge staan dicht bij elkaar. Ze hebben het cijfer 6 gepasseerd en klimmen verder, de helling op, naar zeven. De avond van de Dichtersmarathon wil je hoofd niet verlaten. De stilte buiten is verdacht, te stil. Geen meeuw of raaf die langs het raam voorbij vliegt, geen gans of eend en zeker geen haan die kraait. De stilte lijkt zelf onder de indruk te zijn, van zichzelf. Je neem een kijkje en stap naar buiten. Het is niet de stilte die stil is. Het zijn de huizen, de wegen, het fietspad, het water dat de buurt omringt en de wolken die heel langzaam voorbij schuiven. De wolken lijken te tijgeren en zich naar het noorden te verplaatsen. Iedereen heeft ontzag voor deze vroege zondagochtend. 

De avond van de dichtersmarathon draait haar filmpje in je hoofd terug. Je hou niet van herhalingen. Je geeft je jezelf toch over.
Je kopieert de drie gedichten die je voor wilt gaan dragen en plakt ze onder elkaar in de goede volgorde. Het kort gedicht ‘De Vogels’, van een Iraanse dichter en twee gedichten van jezelf. Je leest hardop en zoekt de goede timing, maar de woonkamer is daar niet de goede ruimte voor. Je loopt naar een andere kamer en sluit de deur. Je draagt de gedichten in de leegte voor. Alles klinkt hol en waardeloos in je oren. Toch zet je door. Je kunt niet op het laatste moment zeggen: ‘Sorry, ik kom niet.’ Eigenlijk wil je, stiekem, graag gaan en in de aandacht staan. Je denkt: ach, het zijn maar drie minuten. Ik begin de avond dus het moet mee vallen. Maar wat als je een valse start maakt?’ Je haalt je schouders op en negeert je gedachten. Je trekt een net pak aan in de hoop dat dat het verschil maakt en gaat. Je wordt ontvangen door een jonge gastvrouw, wordt begeleid en op je gemak gesteld. Je neemt plaats aan de eettafel waar een paar jonge dichteressen aan het hoofd van de tafel zitten, waar schalen koud buffet staan, gezond, vegetarisch enzovoort. Naast je zit een dichter, tegenover je komt een dichteres op leeftijd te zitten die je niet groet. Je zegt in je hart: ‘wat een chagrijn’ en later als je hoort dat ze beroemd is valt het kwartje op zijn plaats: ‘arrogantie kan de mens lelijk maken.’
Naast haar komt een bekende goede dichter te zitten, een jonge man, die je kent. Aan je linkerhand zit een grote man met een opvallende buik. Hij laat een stoel tussen jullie leeg, groet ook niet en geeft geen hand. Je denkt: ‘Die moet ook bekend zijn.’ Tegenover hem zit een vrouw en tussen hen aan de kop van de tafel een kind. De lege stoel aan je linkerkant wordt gevuld door een dichter die ook organisator is. Je wisselt een paar woorden. Je probeert de namen te memoriseren. Behalve de drie jonge dichters kan je de namen van de andere “bekende dichter” niet onthouden. Niet omdat je het lijstje van de namen niet hebt gelezen. Niet omdat je geen interesse hebt, maar omdat je hoofd bezig is, net als hun hoofden. Iedereen is bezig met zichzelf, bereid zich voor. Dichters zijn rare wezens, ze goochelen met woorden die ze vaak niet onder de knie krijgen. En weg is de truc. Gelukkig is het poëziepubliek milder dan het goochelpubliek. Het poëziepubliek is intelligent, doet de ogen dicht en verbetert waar het naar luistert gelijktijdig.
Je probeert toch een gesprek te forceren. Je vraagt aan de bekende goede dichter die schuin tegenover je zit, naast de bekende dichteres die door het zwijgen haar aura beschermt: ‘Je hebt geen enkele grijze haar’. De bekende jonge goede dichter lacht en zegt: ‘Ach, bij mij vertoont de ouderdom zich elders.’ Hij merkt dat je die opmerking niet goed hebt geïnterpreteerd en grijpt in. Hij wijst naar zijn oren. Je lacht en zegt: ‘Inderdaad die kleine haartjes die uit je oren beginnen te groeien zijn irritant’. Je wijst naar je neus om te zeggen: ‘En die neusharen zijn ook vervelend.’ Hij zegt dat je die in ieder geval eerder kunt ontdekken dan de oorhaartjes.
Je gaat naar buiten. Je ziet een jonge dichteres, die ook aan tafel zat, te roken. Je kijkt naar de tijd die nog even op zich laat wachten. Verderop staat de twee jonge dichters die het evenement al jaren met succes organiseren. Ze staan ook te roken. Je roept:
‘De gezonde roker.’
‘Ja, de gezonde roker.’
‘Weet je wie de gezonde roker was?’
De jonge dichters weten het niet. Een andere jonge dichter, met een baard weet het wel.
‘Ja dat was Theo van Gogh.’
De twee jonge mannen bereiden zich verder voor en je stelt vragen aan de jonge dichteres.
‘Welke dichter ga jij voordragen?’
‘Een Chileense.’
‘Red je het binnen de vijf minuten?’
Haar diep blauwe ogen schitteren onder de lokken van haar haren die over haar voorhoofd dansen: ‘Misschien een beetje smokkelen.’
‘Ik heb drie minuten, die andere twee kan jij gebruiken.’
‘Dan komt het goed.’
Je loopt naar de tenten van de Tolhuistuin. De wolken hebben de lucht hermetisch afgesloten, niet waterdicht. Er valt hier en daar een druppel. Je geeft een paar mensen die je kent een hand en je weet verder niet wat je moet zeggen behalve: ‘alles goed?’ ‘Ja, ook met jou?’ ‘Ook met mij.’ Je kijkt de andere kant op. Einde gesprek. Je wacht. Je haat wachten. Een paar stappen verder wacht de jonge dichteres die een lang gedicht van een Chileense dichter voor gaat lezen. Je denkt terug aan de tijd toen je dezelfde leeftijd had als zij. Je hield van Pablo Neruda, de dichter die lange gedichten schreef.
‘Koud.’ Je loopt een stap haar richting op.
‘Ja, koud.’
Haar hand zoekt in haar jas naar een sigaret. Haar hand vindt een pakje sigaretten. Haar handen omarmen het pakje. Haar rechterhand maakt het pakje open. Je ogen volgen haar rechterhand die de sigaret tussen haar lippen steekt. Je vraagt je af of zij nog in de twintig is. Zij zegt dat ze nog geen twintig is. En je denkt aan het idealisme van mensen die nog geen twintig zijn. De jonge mensen vinden een sigaret en een Chileense linkse dichter een teken van intelligentie. Dat laatste is je eigen interpretatie. Misschien denkt ze niet zo. Ja, het is inderdaad je eigen vooroordeel en  vooroordelen kunnen soms kloppen, vooral als je zelf die fase hebt doorlopen.
Je moet het spits afbijten. Je kijkt naar het eerste gedicht. Je ziet de stilte. Je hoort buiten de tent gefluister. Je hoort de wind een lapje van de tent opzij drukken om  in de tent komen. Je leest verder.
Na jou komen nog 29 andere dichters. Je luister, je luistert en je luistert naar 14 x 3 gedichten. De pauze komt. Je rent naar buiten en je verlengt  je parkeertijd. Je komt terug. Je ziet weer bekende mensen. Je herhaalt hetzelfde ritueel en bestelt een drankje, twee drankjes. Want je hebt twee muntjes. Je drinkt in het donker je rode wijntjes. Je spreekt met een paar Palestijnse dichters, je vertelt dat je van de poëzie van Mahmoud Darwish hield. Dat je nog enkele van zijn gedichten uit je hoofd kent. Ja, je was ook een idealist, links en je hield van gedichten. De vraag waar je vandaan komt wordt je gesteld. Je zegt: Uit Koerdistan. ‘Irak bedoel je?’ zegt de dichter uit Palestina.
‘Ja, het Koerdische deel dat door Irak bezet is. Heb je er een probleem mee als ik Koerdistan zeg?’
‘Nee, nee.’
Je denkt aan het nieuws van een dag eerder. De Palestijnse president had gezegd dat hij tegen een aanval van Amerikanen in Syrië is omdat dit zou leiden tot een onafhankelijk Koerdistan. En de Koerden willen eerder dat Palestina onafhankelijk wordt dan Koerdistan zelf.
Ach, ja. Je wilt de avond en de trip van die jonge mensen in Amsterdam niet verpesten. Je probeert het over poëzie te hebben maar de pauze is voorbij. Je luistert naar 45 gedichten. Gedichten van alle soorten en kwaliteiten. De jonge dichteres leest een te lang gedicht van de Chileense voor en laat haar twee eigen gedichten in die lengte verdwijnen, vervagen. De gedichten van de bekende dichteres op leeftijd, die aan de eettafel zweeg, staken hun hoofd niet boven het poëzieveld uit. De jonge talentvolle dichter, bij wie de haartje uit de oren groeien, die het afsloot was wederom goed.     
Je gaat terug. Je zegt gedag tegen twee jonge vrouwen die hun fietsen van de kettingen bevrijden. Een ervan zegt: ‘September vond ik mooi.’
September is je laatste gedicht waarin de regen de scepter zwaait en waarin hij de liefde ambivalent maakt.