1. mrt, 2017

Liefde voor theater sterft niet....

Mijn huwelijk met het theater is al lang voorbij. Dat dacht ik tenminste, een aantal keer. Ik besloot in 1989 te stoppen met theatermaken (Tussen 1982 en 1989 schreef, regisseerde, speelde ik diverse toneelstukken). Ik had net twee seizoenen 'De eeuwige officier' door het hele land gespeeld. De eeuwige officier (tekst, regie en de tweede seizoen ook een hoofdrol) is een aan satire grenzende theatervoorstelling, een zelfspot en het gaat over het dagelijkse leven van twee vluchtelingenechtparen. De twee echtparen verschillen van alles behalve dat ze Koerdische vluchtelingen zijn en voor de terreur van de Iraakse dictator waren gevlucht. De voorstelling werd geprezen door NRC en andere pers maar verguisd door de Volkskrant. De redacteur van de laatste krant wilde afrekenen met het zogenaamde allochtonen-theater en kon niets vinden behalve een vergelijking met Tsjechov. Omdat er, in zijn optiek, niets gebeurde en dat de vier spelers alleen maar thee, veel thee, zaten te drinken. Hij scheer dat zelfs Tsjechov niet zou durven zo iets te schrijven. Ik zag het als een compliment want er gebeurde in die lange pauzes, tijdens het thee drinken heel veel, soms subtiel en soms heel hard.
Mijn besluit om met theater te stoppen had twee redenen: 1. Ik dacht als ik ook de beste stukken schrijf en de beste regisseur ben, blijf ik maar een allochtoon waardoor ik nooit het normale theater kon bereiken maar slechts hulpverleners, antropologen en eventueel mensen die in de allochtone charme geïnteresseerd waren. 2. Met (dat soort) theater kon ik niet op de internationale podia komen. Dat kon misschien wel met de film.
Ik koos daarna voor film, uitsluitend films maken. Dat viel op zijn zachts gezegd niet mee. De eerste film die ik in 1991 maakte heet 'Drie gedaanten van een berg mens die zeehond wil worden' en werd in hetzelfde jaar op NL3 uitgezonden. Het was een productie van HUMAN en bleef bij die uitzending. Elf jaar later kon ik hem in het Koerdische filmfestival Londen vertonen. Twee jaar later kwam mijn eerste lange speelfilm 'De zwijgende reiziger' uit en ging in januari 1994 in het International Filmfestival Rotterdam in première. Van de deelgenomen Nederlandse films in dat jaar, in dat festival werd hij, door het publiek, gekozen als de beste.
In 2006 maakte ik, in eigen beheer, weer een lange speelfilm: TEMO. Deze was ook geen bekendheid gegund.
Omdat ik niet van het filmmaken, theatermaken of schrijven kon leven en mijn kinderen moest onderhouden moest ik werken. Drie jaar docent UvA, vijfjaar beleidsmedewerker bij het ministerie van WVC en sinds 1995 bij defensie waar ik gelukkig honderden diverse korte films mocht maken en won ook vele prijzen in militaire filmfestival.
Nu ik de leeftijd van pensioen nader stijgt mijn liefde voor het theater weer en probeert uit de vrieskast te komen. Die liefde bloeide heel kort in 2005 en ik maakte toen een korte solo onder de titel 'Saddam en Ik'.
Onlangs trad ik op met een soort cabaret/poëzie en dat beviel me wel. Ik wil verder er op bouwen. Onlangs fietste ik naar de stad en bezocht ik de oude plaatsten waar ik studeerde en theater opvoerde. De sfeer is hetzelfde. Vroeger kende ik bijna iedereen en andersom nu ken ik niemand. Maar dat kan veranderen. Het ligt aan ons om te zien of dingen voor verandering vatbaar zijn. Men moet bij zichzelf beginnen.