24. apr, 2017

Vaarwel...

Beste Mustapha,
Vanmorgen, vroeg in de ochtend, viel de krant op de deurmat. Dit is geen bijzonderheid, hij valt zes dagen per week op de deurmat en ik raap hem elke keer op. Elke keer lees ik, zonder leesbril, de hoofdtitels terwijl ik me droog scheer. Vanmorgen had ik geen zin om de krant op te rapen want na het wakker worden ging ik naar de kamer waar mijn telefoon altijd ligt en zag ik een messenger bericht. Het bericht was van de schoondochter van Annie (Aline in mijn roman Laatste Vlam). Het bericht vertelt: Annie is overleden. Ik had dus, dat begrijp je, geen zin in meer slecht nieuws. Want zoals in het Midden-Oosten gezegd wordt:'slecht nieuws komt niet als enkel'. Ik deed alle ochtendrituelen behalve de krant oprapen en de hoofdtitels tijden het scheren lezen. Vóór ik aan tafel ging zitten raapte ik de krant op en opende hem terwijl ik een hap nam van mijn geroosterde brood met amandelpasta. Ik bladerde en zag je foto met grote letters 'Getuige van de wereld achter het nieuws' en dacht 'leuk, eindelijk wordt hij erkend'. Ik was blijkbaar niet goed wakker. Ik had de kleine letters, eigenlijk de cijfers, niet gelezen. De cijfers, vooral de tweede deel van de cijfers achter het streepje, de cijfers 2017 sloeg hard toe. Ik had ook nog het kleine kruisje niet gezien, het kruisje dat voor jouw naam afgedrukt was.
Natuurlijk had ik je bijna geen twintig jaar niet gezien. De laatste keer dat ik je zag gingen we van theater de Balie naar een restaurant bij Singel lopen. We liepen samen maar we waren niet alleen. We waren met een groep "allochtone intellectuelen". Je vertelde over een liefde, jouw toekomstige liefde maar je vertelde ook over je naam, je achternaam die de 'Lelijke' heet. We lachten erom en we waren cynisch over alles wat allochtoon heette. We wilden ons niet in een hok wilde sluiten en daarom waren we bezig met iets dat we eigenlijk al wisten dat het geen zin had. Daarna heb ik je niet gezien. Ik heb je wel gesproken. Je belde me op 8-4-2004 vanuit Caïro. Ik zat in een taxi tussen Diyarbakir en de Turkse grens met Koerdistan. Het was laat op de avond. Je was in mijn belevenis dronken en we lachten. De lijn was slecht, je beloofde weer te bellen want je was van plan naar Bagdad te komen en we zouden elkaar daar zien. Je belde niet meer, nooit meer.
Dat was onze laatste contact. En nu zie ik je in de krant. Jij kijkt recht in mijn ogen alsof je weer een mop wil vertellen. Alsof je wilt zeggen:'Er zijn hier geen Horia's, geen hel of hemel. Hier is een totale duisternis.
Voor het geval dat er daar toch nog een leven is wens ik je al het beste in de eeuwigheid.